Mortiersmolen
Zwevegem, Vlaanderen, West-Vlaanderen
- Naam
- Mortiersmolen
- Ligging
- Twee Molensstraat 23
8550 Zwevegem
oostzijde
400 m ZW v.d. kerk
kadasterperceel D375 - Geo positie
- 50.808895, 3.331875 (Google Streetview)
- Molens in de buurt
- Eigenaar
- Stichting Bekaert-de Liedekerke-Vroman, Leefdaal; in beheer van vzw Mortiers Molen (Chaussée de Hondzocht 501, 1480 Tubize)
- Gebouwd
- tussen 1775 en 1800
- Type
- Staakmolen met gesloten voet
- Functie
- Korenmolen
- Kenmerken
- Driezolder
- Gevlucht/Rad
- Gelaste roeden, verdekkerd (1935), 24,60 meter
- Inrichting
- Twee steenkoppels, haverpletter
- Toestand
- Maalvaardig
- Bescherming
- M: monument},
04.04.1944 - 09.02.1946 - 14.12.2026 (monument en overgangszone) - Molenaar
- Frederik Vroman, Tubize (tel. +32 473 694 523), Matthieu Desmet, Zwevegem
- Openingstijden
- Op afspraak: Frederik Vroman, tel. +32 473 694 523, e-mail: mortiers.molen.zwevegem@gmail.com
- Database nummer
- 838
- Ten Bruggencatenummer
- 04162
- Laatste mutatie
- Geschiedenis, 20-05-2026
Karakteristiek
Beschrijving / geschiedenis
Mortiers Molen is een houten korenwindmolen, type driezolder, aan de oostzijde van de Twee Molensstraat (nr. 23), op 400 meter ten zuidoosten van de kerk an Zwevegem.
De staakmolen is genoemd naar het laatste geslacht dat beroepshalve de molen bemaalde tijdens de periode van 1888 tot 1958. Omer Dumortier (11 januari 1882 – 22 oktober 1958) hielp vanaf 1893 met zijn vader Joseph de molen bemalen. Op het einde van zijn leven kon Omer de trap van de molen niet meer op en werd hij bijgestaan door wijlen Stefaan Vroman, toen nog student, die onder de kundige leiding van Omer de molen liet draaien.
Deze korenmolen met drie zolders werd opgericht tussen 1775 en 1800. Hij komt nog niet voor op de Villaretkaart, maar wel op de Ferrariskaart (ca. 1775) met het bruin symbool van een staakmolen en met de benaming "Moulin Stamkot" (= stampkot of oliemolen). In de 19de eeuw komt hij voor in de Atlas der Buurtwegen (ca. 1844) en op de kadastrale kaart van P.C. Popp (ca. 1855), telkens met het grondvlak van een staakmolen op teerlingen, en met het algemeen windmolensymbool op de topografische kaart van Ph. Vandermaelen (ca. 1850).
Mortiersmolen werd rond 1800 gebruikt door een zekere Maes die verwant was met de Maesen van de Molen te Wulfsberghe en de Losschaertmolen in Zwevegem.
Voor 1814 vestigde Charles Vandemaele zich op de molen. Hij maakte in 1813 mee hoe een bende Franse scherpschutters langs zijn molen opkwam. In een balk van de molen staat zijn naam gebeiteld "1826 C V D Maele". Voor 1834 behoorde de molen toe aan zijn weduwe en kinderen. Een van hen, landbouwer Ivo Vandemaele uit Zwevegem, kocht de molen aan op 21 november 1854. Zijn nazaten verkochten de molen op 13 juni 1911 aan Leon Leander Bekaert, stichter van het wereldconcern Bekaert,
Eind december 1880 was Désiré Demerode de molenaar. Hij was een boerenzoon die op 11 november 1853 in Zwevegem geboren werd. Hij huwde met Mathilde Hutsebaut, geboren in Melle in 1848. Dat gezin verhuisde op 10 september 1886 met de vier kleine kinderen naar Landegem. Eind 1880 was er als inwonende mulder: Charles Vanhulle, geboren in Ooike in 1857. Hij was tevens nog molenaar geweest op het Stampkot van Sint-Denijs en de Molen van Bavegem in Moen. Van 20 juli 1881 tot 21 maart 1882 was Edmond Cuyl (geboren in Zomergem op 22 september 1855) de muldersgast.
In 1888 kwam het gezin Joseph Dumortier-Penez het molenhuis bewonen. Ze waren afkomstig van de hofstede waar tot 1875 de "Molen te Sweveghem" had gestaan, maar Joseph werd geboren in Bellegem op 15 september 1842. Op 23 oktober 1889 kwam er een molenaarsknecht inwonen: Francis Maes, geboren in Ooike op 25 december 1830. Eind 1890 was er een andere molenaarsknecht: Charles Heldenbergh, geboren in Hulste op 12 juli 1831, overleden in Zwevegem op 24 augustus 1903.
Zoon Omer Dumortier, die gedurende vele jaren op de molen werkte, werd geboren in Zwevegem op 1 januari 1882. Op de staak in de meelzolder staat het volgende opschrfit geschilderd: "Omer Dumortier 1893". Hij was toen elf jaar. Dit is misschien het jaar waarin hij voor het eerst in de molen werkte.
Joseph Dumortier overleed in Zwevegem op 10 januari 1912; De aangifte werd gedaan door zijn zonen Omer en René, die toen allebei net als hun vader geregistreerd stonden als molenaars. Het was echter Omer die na de dood van Joseph dé mulder van Mortiersmolen zou worden.
Toen Omer Dumortier op de molen begon waren van daaruit tal van andere molens te zien. Naast de buurmolen, de nog bestaande Stenen Molen van Zwevegem, waren dat onder meer ook: de nog bestaande Molen te Claere en de Molen te Perre in Sint-Denijs, de (nog bestaande) Stenen en Houten Molen van Tiegem, de Losschaertmolen in Zwevegem, de (thans verplaatste) Koutermolen in Stasegem, de nog bestaande Muizelmolen in Hulste, de nog bestaande Poelbergmolen in Tielt, de nog bestaande Declercqs molen in Deerlijk, de nog bestaande Stokerijmolen in Kuurne, de molen in Bellegem... In 1900 kon hij vanuit zijn eigen molen nog altijd 32 molens zien.
Stefaan Vorman, die als onge knaap Mortier al kwam helpen, verhaalt wat hij hoorde over Omer in de eerste wereldoorlog: "In de laatste twee jaar van de eerste wereldoorlog mocht er praktisch niet gemalen worden en waren de molens verzegeld. Al het graan was opgeëist voor het Duitse leger, dat het - onder streng toezicht - liet malen in bepaalde grote maalderijen. Dus meaalde men stiekem in de nacht. Dumortier stuurde dan zijn zuster Rufina "Fina" en een knecht op de loer naar de oprit aan de Kwadepoelstraat en de oprit aan de Avelgemstraat. De Duitse patrouilles te paard waren namelijk gemakkelijk van ver te horen aan het gekletter van de paardenhoeven. Later we niet vergeten dat er geen nachtelijk lawaai was behalve ergens een blaffende hond of een verstrooide koe. Er was ook geen straatverlichting op de buiten. Plotseling kwam Fina hijgend aangelopen om te zeggen dat de Duitsers afkwamen van de Stenen Molen naar Mortiers. De molen werd nogal bruusk stilgelegd, maar er was uiteraard geen tijd genoeg om te ontzeilen. Omer deed de molendeur van binnen dicht en ruimde bliksemsnel de sporen van versgemalen meel op. Hij deed alsof hij in de molen sliep. Zijn broer Hector, die aan de Losschaert woonde, mocht daar zelfs niet zijn, omdat de Losschaert een ander "Gebiet" was. Hector kroop dan maar op de molenas achter het vangwiel en maakte zich zo klein mogelijk. De Duitse soldaten kwamen de molentrap op en lieten Omer de deur openmaken. Ze beschuldigden hem ervan met de molen gedraaid te hebben, wat hij ontkende. Op de vraag wat hij 's nachts in de molen deed, antwoordde hij dat hij er sliep omdat hij daar graag was. Op de vraag waarom de molen gezeild was antwoordde Omer dat het was om de zeilen eens goed te drogen... Met zijn carburelamp liep een van de soldaten naar boven en verlichtte alle hoeken en kanten, ook de plaats waar Hector zich muisstil hield. Hector deed in zijn broek van schrik - dat was althans wat Omer later vertelde. De soldaat nam het deksel van de steenkuip en stak zijn hand op de plaats waar het meel lag: het was kokend heet. Omer werd onder gevloek meegenomen en opgesloten in de gemeenteschool. Fina liep naar al wie enige invloed kon hebben, maar het kostte veel moeite om te beletten dat Omer Dumortier werd opgepakt voor een andere bestemming. Hector was, toen alles stil was geworden, door de donkere velden naar huis gevlucht. Uiteindelijk bleek dat de molen verraden werd door de maan die in die heldere nacht aan het zinken was in het westen: van in de Avelgemstraat hadden de Duitsers te paard opeens de wieken 'door de maan' zien slaan!"
Heemkundige en volksvriend Alberik Ovaere typeerde Omer Dumortier als volgt: "Omer was een echte windmolenaar, in hart en ziel met zijn molen vergroeid. Altijd was hij bereid uitleg te verstrekken over zijn oude vriend en men kon het hem aanzien dat hij dit met veel genoegen deed. Want daar sprak hij over als over een oud, trouw kameraad. Met de jaren is ook hij verplicht geweest een mechanische maaldeirj naast de moeln in te richten, om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden. Maar daar liet hij liever het werk over aan een knecht, die hem op het boerderijtje kwam helpen."
Mortier had altijd een helper of "domestiek", zolas Omer Vandenbussche uit Ruiselede die later molenmaker en molensteenscheper werd, Jerome Ryckaert en Jef Delgat in de tweede wereldoorlog, Georges Geeraert van de Wulfsberg, na de oorlog tot in 1947, en daarna ook diens broer Roger, gedurende een paar jaar. En heel wat anderen. Het vroegere molenhuis met aanpalend schuurstje, zichtbaar op de prentkaart uit 1935, en het maalkot werden in 1962 afgebroken.
Terug naar Alberic Ovaere: "Het grootste deel van zijn leven heeft Omer op de molen doorgebracht. Daar zocht hij met zijn kijkfer de verten af, vooral dan in de richting der aan Kortijk-Gent. Dan sloeg ij de bomenrijen gade en kon op die manier de windsterkte schatten. Zo kon hij immer zijn molen uit de wind zetten tegen dat de vlagen hier aanrukten. H ij was een bijzonde goede weerprofeet en miste zleden in zijn voorspellingen."
Commentaar van Stefaan Vroman: "Die verrekijker had hij van een Duits soldaat "gekregen" in de eerste wereldoorlog. Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlgo moet hij die kijker goed verstopt hebben, want de Duitsers waren niet bepaald gelukkig met zulke trofeeën uit de eerste oorlog!"
In Mortiersmolen werd er in de jaren 1920 geprobeerd elektriciteit op te wekken om de maalstenen (vooral dan de Engelse stenen om bloem te kunen maken) te doen draaien met een elektrische motor in het maalkot, dat aan de zuidkant van de molen was opgericht, met daarin twee koppels stenen en een builinstallatie om witte bloem te maken. In de molen was een nieuw aandrijfwiel met kammen geplaatst, dat in de kammen van het vangwiel moest draaien. Gelet op het trage toerental vielen de motoren die de maalstenen aandreven stil en ze geraakten niet meer op dreef bij opnieuw opkomende wind. Alles en nog wat zorgde ervoor dat de "overblijvende" energie zich in warmte omzette en de motoren verbrandden. Charles Soetens (in Zwevegem: "Saerel Zoete"), de eerste werkman van Leon Leander Bekaert en diens vindingrijke technicus, was ook betrokken bij die lovenswaardige maar falende plannen.
Mortiersmolen heeft nooit een builmolen gehad en de molenstenen zijn niet geschikt om tarwe te malen tot bloem. Het grootste molensteenkoppel is afkomstig uit de molen van Bellegem, gesloopt na 1918.
Na de eerste wereldoorlog begon de molenkast te zinken in haar hoekstijlen, omdat ze verkeerd gebouwd was: de korbelen tussen de verschillende lijsten zijn averechts geplaatst, zodat ze niet alleen geen nut hebben maar integendeel de molenconstructie overbelasten. De molen kon niet meer worden gekruid naar de windrichting en dreigde zelfs uit elkaar te vallen. Eigenaar Leon Leander Bekaert liet zijn eerste werkman Charles Soetens (in Zwevegem: "Saerel Zoete") de molen weer in elkaar trekken: Saerel bracht binnenin zware ijzeren profielen en trekhaken aan, zodat hij weer samenhield. De vier ijzeren kaders hebben Mortiersmolen tot 1990 zijn 'uniek' uitzicht gegeven. Bij een restaruatiebeurt in 1990 werden die kaders echer verwijderd en vervangen door verborgen trekstaven in de molen, wat de esthetiek erg ten goede is gekomen.
In 1935 werd vedekkering aangebracht. Mortiersmolen is momenteel de laatste staakmolen ter wereld met volledig verdekkerde roeden die nog overeind staat, dank zij zijn specifieke stormbeveiligingen. Omer Dumortier heeft praktisch nooit zijn molen verlaten en zeker was er altijd een bevoegd persoon ter plaatse voor het geval dat er een storm zou opkomen.
Dat Mortiersmolen al in 1935 als een der eerste in Vlaanderen verdekkerd was is duidelijk te zien op de enige prentkaart van deze periode, de oudste die er van de molen bestaat. Op diezelfde kaart krijgen we ook een beeld van het molenaarshuis dat in 1935 nog maar recent was opgetrokken en dat eigenaardig genoeg een bovenverdieping heeft. Wel was het een huis met een plat dak, maar toch moet het de molen in zijn windvang uit het noorden gehinderd hebben.
De gietijzeren molenaskop was wat scheef gegoten door de firma Sabbe-Masselis uit Roeselare, zodat de molenas bij het draaien in een minimum van tijd alle banestenen deed barsten. Daarom werd de aslager vervangen door een gietijzeren halve ring voorzien van een bol die rustte in een halve pot, gegoten in een plat stuk gietijzer dat op de windpulm was bevestigd. In die ring lag een schelp in brons waarop de molenas draaide. Heel die constructie maakte het de scheve molenas mogelijk bij het draaien in zijn aslager te wringen. Deze vernuftige vondst wordt in de molen bewaard.
De molen werd, net als vele andere West-Vlaamse molens, beschermd op 4 april 1944, dus onder de Duitse bezetting.
In 1948 werden de veel te zware I-profielen op de berriebalken geplaatst onder leiding van Charles Soetsns door twee smeden (Cesar Coudyser en René Moreel) en een timmerman (Gustaaf Loncke) van de Bekaertonderneming. Hierbij stak ook Roger Geeraert, die Omer Dumortier af en toe wat kwam helpen, een handje toe. De bedoeling van deze ingreep was de verzakte molentrap en staart weer op te halen, maar deze werkwijze was 'naast de kwestie' en eigenlijk nutteloos.
Ook in 1948 brak de buitenroede tijdens het draaien en rukte eens tuk van de moelnkap af. De gebroken Van Vyncktroede werd vervangen door een nieuwe Verghaegheroed, die uit Ruddervoorde werd gehaald met de boomezel, getrokken door twee paarden. Op dit vervoermiddel reed een jongeman zcih bij valavond te pletter, dichter bij de ophaalvrug van Stasegem. Hij reed tegen het ver uitstekend einde van de moelnroede, dat helemaal niet verlicht was, zoals dat in die tijd de slechte gewoonte was. De jongeman overleed uiteindelijk aan de gevolgen van het ongeluk, waaraan zo weinig mogelijk ruchtbaarheid werd gegeven. De verdekkering voor die ongeluksroede, klaargemaakt bij Verhaeghe in Ruddervoorde, werd daarna door de bovengenoemde arbeiders van Bekaert op de roede gemonteerd.
De laatste beroepsmolenaar Omer Dumortier (geboren in Zwevegem op 11 januari 1882) overleed na een ziekte op 22 oktober 1958. In de laatste maanden van zijn leven kon de oude mulder niet meer naar boven in de molen. De jonge Stefaan Vroman, nog student, die Omers pijnlijk einde meemaakte, heeft de molenaarsstiel aan Omer geleerd en draaide in de laatste maanden van Omers leven alleen met de molen. Vanuit zijn zetel hield Omer de molen echter in het oog en wanneer Stefaan Vroman wat te vlug (of te traag) draaide, sloeg hij met de ijzeren punt van zijn stok op het glas van het raam, een geklop dat tot in de molen te horen was.
Na Omers dood zorgde Stefaan Vroman verder voor de molen. Hij kwam er zelfs in studeren, mocht er alleen geen boeken laten liggen, vanwege de... muizen;
In 1961 werden molenhuis en molen verhuurd. Dat betekende dat Vroman geen toezicht meer kon houden. Het molenaarshuis en het maalhuis werden in 1962 gesloopt. Toen de huurder acht jaar later wegging was er veel in slechte staat geraakt. Door de open molenkap sijpelde water binnen op de molenas, het vangwiel, de windpulm... De molen kon niet meer draaien. Een van de steekbanden was aan het rotten door scheuren in de bedekking van het teerlingkot. Gelukkig toonden de opeenvolgende beheerders vanhet goed van de familie Bekaert veel begrip.
Mortiersmolen was bij de dood van Leon Leander Bekaert in 1936 overgegaan in de handen van de drie dochters van zijn overleden zoon Maurice: Geneviève, Nicole en Jacqueline Bekaert. In 1974 werd de molen eigendom van één tak van die familie, met name de familie de Liedekerke-Bekaert? Leon Leanders geestdrift voor de molen sloeg over op graaf en gravin Charles-Antoine de Liedekerke - Nicole Bekaert en de molen kon progressief worden gerestaureerd en in het dorge gebracht. Het kruiwerk kon hersteld worden en het draaiende werk werd weer bruikbaar gemaakt.
Dit gebeurde vooral door Stefaan Vroman (°Zwevegem 1941 - +Elingen 2011), die als student molenaar Omer Dumortier had leren kennen en na zijn huwelijk met mevr. Godelieve Dhaenens (van de Moulin Dhaenens in Moulbaix) als genecoloog in Elingen woonde. Hij werd wrevelig als hij het over de perikelen van zijn molen had: "Tot tweemaal toe meenden inspecteurs van Monumentenzorg dat ze een proces-verbaal moesten opmaken omdat er onderhoudswerken werden uitgevoerd zonder hun toelating. Alsof wijzelf geen verstand genoeg hebben van dringend molenherstel of ooit van plan waren deze molen te beschadigen of te verminken! Of moeten we die lui een lijstje geven van molens die slecht hersteld en opgeleverd zijn en nooit hebben of zullen kunnen draaien, met hùn 'goedkeuring'? Dat ze op die pllatsen gaan kijken end aarna naar Mortiersmolen Als wij trouwens hadden moeten wachten op de officiëme procedure - deze spoedprecedure duurde al meer dan vij fjaar - dan was Mortiersmolen allang een puinhoop geweest. Regelmatig onderhoud en de beveiliging met stormkabels hebben de molen als laatste exemplaar met Dekkerwieken laten overleven."
Ondanks alle onderhoudsbeuren en restaruaties zoude enorme waterschate, aangericht in de jaren 1960, op het einde van de jaren 1980 haar tol opeisen. Hele steunbalken werden opgevreten door zwammen en andere parasieen. De molenas was 20 centimeter gezonken in de windpeluw en ook het mlenkuris had zijn beste tijd achter de rug. De molen kon niet meer draaien en het werd stil in ijn omgeving.
Achter de schermen werkte Stefaan Vroman koortsachtig aan een restauratie. Daarbij werd een beroep gedaan op de spoedprocedure voor dringende herstellingen voor een maximum bedrag van 3.333.333 frank, waarbij de Vlaamse Gemeenschap 60 procent, de provincie ende gemeente elke 15 procent en de eigenaar 10 procent moesten bijdragen. De werken werden uitgevoerd door Molenbouw Peel bvba uit Gistel. Vier jaar later, in 1994, was de restauratie voltooid: nieuwe molenas, nieuw verdekkerd molenkruis (verdekkering behouden wegens hun industrieel-archeologische waarde), grondige vernieuwing aan het vangwiel en het voorwiel, nieuwe kammen in het draaiende werk, nieuwe plaatsing en afregeling van de maalinstallatie, nieuwe molenstaart, trap en rkuiwerk, alsook de volledige vervanging van de voorweeg. Ook de molenkap werd volledig vernieuwd. Boven de ingangsdeur en op de windwijer boven op de makelaar prijkt nu het wapen van de familie de Liedekerke.
De molen werd op 11 september 1994 - Open Monumentendag - officieel ingewijd. Op 17 augustus 1994 werd de vzw Mortiers Molen, Stichting Bekaert – de Liedekerke – Vroman, opgericht onder het voorzitterschap van graaf Charles-Antoine de Liedekerke. In 2000-2001 onderging de molen een nieuwe restauratiebeurt, met o.a. een nieuw teerlingkot, nieuwe kruisplaten en schoren van het gebint. Uitvoerder was Molenbouw Peel-Thomaes uit Gistel. Dr. Stefaan Vroman stelde de molen opnieuw in werking als vrijwillig molenaar tot ca. 2008.
Hij overleed op 10 oktober 2011 na enkele jaren ziekte. In de voorafgaande periode werd hij bijgestaan door zijn zoon Frederic, eveneens gediplomeerd molenaar, die geestdriftig het werk van zijn vader wil voortzetten.
Na het overlijden van Stefaan Vroman stond de molen geruime tijd stil.
Molinoloog en gediplomeerd meester molenaar Freddy Deweer, tevens vriend van de familie Vroman, besliste na het overlijden van Stefaan zijn taak mede over te nemen. Op 28 maart 2012 werd tijdens de algemene vergadering van de vzw Mortiers Molen beslist om Frederik Vroman en Freddy Deweer aan te stellen als molenaars van Mortiers Molen. Het voorzitterschap, waargenomen door graaf Charles-Antoine de Liedekerke, werd overgedragen aan de weduwe van dokter Vroman, Godelieve Dhaenens, inmiddels ook al overleden. De huidige voorzitter is haar zoon Frederik Vroman uit Tubize.
Ter gelegenheid van het vijfde wijkfeest van de Lindewijk, tevens molenfeest, werd de molen op 2 juni 2012 weer in werking gesteld en konden beide molenaars een 70-tal bezoekers verwelkomen. Er werden inmiddels enkele onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd en initiatieven genomen om de molen opnieuw veilig te laten functioneren.
De molen is op afspraak te bezoeken, via contact met molenaar Frederik Vroman, tel. +42 473 694 523, e-mail: mortiers.molens.zwevegem@gmail.com
De huidige vrijwillige molenaars zijn: Frederik Vroman uit Elingen en Matthieu Desmet uit de Twee Molensstraat in Zwevegem, vlak voor de molen. Hij behaalde in 2026 het molenaarsdiploma uit handen van Vlaams minister Ben Weyts van Onroerend Erfgoed. Hij volgde de molenaarscursus bij het Vlaams Molenforum vzw.
De molen werd samen met zijn omgeving herbeschermd op 14 december 2023 door Vlaams minister Matthias Diependaele als monument en als overgangszone, dit laatste om de windvang te
TECHNISCHE BESCHRIJVING
De houten molenkast is vooraan ongeveer 4 meter breed, opzij iets meer dan 5 meter en bijna 9 meter hoog. De mkast is vooraan (dit is aan de trapzijde) en opzij links beslagen met beslagberd en aan de windzijde met schalies. De molenkap was aanvankelijk bedekt met eikenhouten schalies, daarna met grote ruitvormige eternitschalies en in de grote restauratie van 1993-'94 vernieuwd met donkere eternitleien. Bij die gelegenheid werden ook de vroeger door platen verborgen euziestaarten op de daklijsten weer vrijgemaakt.
Uiterlijk lijkt hij op een torenkotmolen, maar het is wel degelijk een houten standaardmolen op vier teerlingen, die in een later bijgemetseld teerlinghok staan. Deze ruimte werd trouwens pas door de laatste beroepsmolenaar Omer Dumortier aan de molen toegevoegd als stockeerruimte.
Deze driezolder molen is ontstaan door het ontdubbelen van de eerste of onderste zolder in een onderzolder met geringe hoogte, die op de berriebalken ligt en hier enkel via een zijbalkon bereikt kan worden, en de daarboven liggende meelzolder, waarmen via de molentrap binnen kan. Hier hangt in de rechterhoek de haverpletter en worden de zakken graan en meel gestockeerd. Hier valt ook het meel uit de meelgoten en wordt in zakken opgevallen. Van hieruit kan men verder via een heel oude binnentrap naar de derde zolder of steenzolder klimmen, waar de twee steenkoppels liggen. Boven het hoofd bevindt zich de molenas en de twee molenwielen. Het grootste ervan doet ook dienst als rem (vang) en wordt daarom vangwiel genoemd.
Kort na de eerste wereldoorlog bevond zich aan de windweeg (zijde van de roeden) in de onderzolder een koppel pletstenen om oliekoeken te breken. Die werden na die oorlog ingevoerd en hier gebroken als voeder voor de dieren. Op de molenas is nog een aandrijfwiel van die pletstenen te zien. De pletstenen werden uitgebroken in de jaren 1930 en hebben daarna tegen de muur van het maalkot gelegen, dat molenaar Dumortier aan de voet van de molen had laten bouwen.
De molen heeft een gevlucht van 24,60 meter en werd in 1935 als een van de eerste voorzien van Dekkerwieken. De verdekkering werd aangebracht op de bestaande Van Vycnktroeden. De eerste verdekkerde molen in België was die van Alfred Ronse in Gistel in 1933. Mulder Omer Dumortier was op 22 oktober 1933 met eigenaar Leon Leander Bekaert (de stichter van het wereldconcern Bekaert) naar de inwijding gaan kijken en ze waren enthousiast naar huis gekomen.
De naam "verdekkering" komt van molenbouwer en waterbouwkundige A.J. Dekker uit Nederland, die in 1925 een prijs behaalde voor o.a. zijn verbeteringen aan de molenroeden. De windplank aan de voorzijde van de molenroede werd vervangen door een gestroomlijnde vleugel die de roede vooraan en achteraan omkleedt met gegalvaniseerde zinken of aluminium platen. Hierdoor kan hoofdzakelijk de weerstand van de draaiende roede tot een derde worden teruggebracht, zodat de molen veel meer energie uit de wind kan halen. Het windvangend oppervlak is ongeveer het dubbele van het klassieke windbord en het gebruik van zeilen is voor het malen van graan niet meer nodig. Bij opkomende wind moet de molen "uit de wind" worden gedraaid, d.w.z. dat de voorzijde van de wieken een hoek (tot 60 graden) vertoont ten opzichte van de windrichting. Het nadeel van dit systeem is het verdubbelde, grote oppervlak van de wieken dat niet kan worden verminderd bij stormweer: de molenvang moet het dan houden. Ook worden (best) stormkabels aan de roeden en het vangwiel gelegd, wat dan een grote veiligheidsgarantie biedt. Meer romantisch aangelegde molenvrienden zoals Paul Bauters vonden het Dekkersysteem niet zo aantrekkelijk, want niets is mooier, naar hun oordeel, dan een Vlaamse molen met gewone wieken en roodgeverfde zeilen. Deze Dekker-verbeteringen zouden trouwens de vooruitgang ook niet tegenhouden en konden niet beletten dat mechanische maalderijen de windmolens meer en meer verdrongen.
Wie wind zegt, denkt ook aan regen. Zelden is de wind in de winter gepast om met verdekkerde wieken volledig in de wind en de regen te draaien. Dat is dan ook de enige reden waarom bij de Mortiersmolen aan de achteraanweeg (dit is de rechterzijkant van de molenkast, waar de vangvlegel hangt) gegalvaniseerde platen op het beslagberd werden aangebracht, omdat namelijk de molen bij het draaien vaak schuin op de wind en in de regen staat en die zijkant allang zou zijn doorgerot. Een normale molen met zeilen staat bij het draaien altijd in de wind, zodat wind en regen enkel op de windweeg terechtkomen.
Eigenaars na 1830:
- voor 1834, eigenaar: Vandemaele-Decuypere Karel, de weduwe en de kinderen, molenaars te Zwevegem
- 21.11.1844, erfenis: de kinderen: a) Vandemaele Thérèse, landbouwster te Zwevegem, b) Vandemaele Dominique, c) Vandemaele Florentin, d) Vandemaele Sophie en e) Vandemaele Leo, landbouwer te Sint-Denijs (overlijden van de weduwe Decuypere van Karel Vandemaele)
- 21.11.1854, verkoop: Vandemaele-Detremmerie Ivo, landbouwer te Zwevegem (notaris Vandevenne)
- 19.12.1880, erfenis: a) Vandemaele Aloïs (voor 1/2 naakte eigendom), preister te Asper en b) Vandemaele-Detremmerie Ivo, de weduwe en de erfgenamen (voor 1/2 volle eigendom en 1/2 vruchtgebruik) (overlijden van Ivo Vandemaele)
- 13.04.1911, erfenis: a) Vandemaele Aloïs (voor 1/2 naakte eigendom), priester te Asper en b) Vandemaele-Detremmerie Ivo, de erfgenamen (voor 1/2 volle eigendom en 1/2 vruchtgebruik) (overlijden van de weduwe Detremmerie van Ivo Vandemaele)
- 13.06.1911, verkoop: Bekaert-Masureel Leo Leander, fabrikant te Zwevegem (notaris Vandevenne)
- 25.10.1936, erfenis: de weduwe en de kinderen (overlijden van Leo Bekaert)
- 02.12.1938, deling: a) Bekaert Geneviève Fernande Marie Joseph, zonder beroep te Kortrijk, b) Bekaert Nicole Marie Madeleine Leonie Pauline en c) Bekaert Jacqueline Marie Louise Paul (notaris Denys)
- 18.01.1974, deling: de Liedekerke-Bekaert Charles Antoine Elie Marie Gaston graaf de Liedekerke (Leefdaal, 1923-2013), nijveraar te Leefdaal (notaris Maertens)
- 2016, eigenaar: Stichting Bekaert-de Liedekerke-Vroman, in beheer van vzw Mortiers Molen (Chaussée de Hondzocht 501, 1480 Tubize - voorzitter Frederik Vroman)
Stefaan VROMAN, Lieven DENEWET & Herman HOLEMANS
Aanvullende informatie
Ministerieel besluit tot definitieve bescherming als monument met overgangszone van de Mortiersmolen in Zwevegem, 14 december 2023.
Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
- het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, artikel 6.1.1;
- het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juli 2014 tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering, artikel 6, 1°;
- het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2019 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, artikel 8, §1, 2°.
Procedurestappen en vormvereisten
Dit besluit kwam tot stand volgens de procedurestappen en de vormvereisten, beschreven in:
- het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, artikel 6.1.1 tot en met 6.1.14,
- het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, artikel 6.2.1.
De volgende procedurestappen en vormvereisten zijn vervuld:
- de erfgoedwaarden zijn onderzocht;
- de resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in een beschermingsdossier;
- het voorlopig beschermingsbesluit werd getekend op 26 juni 2023 en werd bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op 7 september 2023;
- de zakelijkrechthouders zijn op de hoogte gebracht van de voorlopige bescherming;
- de gemeente Zwevegem organiseerde een openbaar onderzoek van 25 augustus 2023 tot en met 23 september 2023;
De behandeling van de adviezen, opmerkingen en bezwaren is opgenomen als bijlage bij dit besluit.
Motivering
Het monument Mortiersmolen in Zwevegem is van algemeen belang wegens de volgende erfgoedwaarden:
- de historische waarde:
Als windgraanmolen illustreert de Mortiersmolen de belangrijke economische rol die windmolens speelden van de late 12de eeuw tot en met het interbellum.
De Mortiersmolen is ook een representatief voorbeeld van de vrije molens die vanaf het einde van de 18de eeuw massaal werden opgericht.
Molens waren tijdens het ancien regime gekoppeld aan een feodaal recht, het molenbansysteem. Hieraan kwam een einde met de Franse wet van maart 1790, die bij de inlijving van de Nederlanden bij Frankrijk Pagina 1 van 10 in 1795 ook in Vlaanderen van toepassing werd. Op vrij gemakkelijk bereikbare plaatsen, langs steenwegen en op kruispunten, verrezen immers veel nieuwe windmolens. Op de vrij dichte economische spreiding van windmolens duidt ook het straattoponiem ‘Twee Molensstraat’, dat verwijst naar de Mortiersmolen (gelegen in de Twee Molensstraat) en de Stenen Molen (gelegen op de hoek van de Twee Molensstraat en de Avelgemstraat).
De Mortiersmolen illustreert ook een belangrijke fase in de ontwikkeling van windkracht naar mechanische kracht. Vanaf de late 19de eeuw ondervonden wind- en watermolens meer en meer concurrentie van stoom- en later motormaalderijen. De Eerste Wereldoorlog zorgde echter voor een gebrek aan brandstof, waardoor windkracht op hernieuwde aandacht kon rekenen. In het interbellum werden dan ook verwoede pogingen gedaan om de windkracht te optimaliseren via wiekenverbeteringssystemen. Eén van deze systemen werd toegepast op de Mortiersmolen in Zwevegem die als één van de eerste Vlaamse molens met gestroomlijnde ‘dekkerwieken’ werd uitgerust.
De Mortiersmolen vormt ook een illustratie van de vele mislukte pogingen van een aantal molenaars om met de gratis windkracht elektriciteit op te wekken voor de aandrijving van een elektromotor in hun mechanische hulpmaalderij.
De opkomst van bloemmolens die tarwe op een (semi-)industriële wijze vermaalden tot bloem, leidde ertoe dat veel molenaars zich meer en meer en soms uitsluitend richtten op het vermalen van granen tot veevoeders. Dit was ook het geval voor de Mortiersmolen, die daartoe zelfs zijn derde zolder, de onderzolder, met een koppel pletstenen uitrustte voor het breken van oliekoeken.
- de industrieel-archeologische waarde:
De industrieel-archeologische waarde wordt toegekend aan gebouwen waarvan de structuur specifiek is gericht op een bepaald productieproces. Dit is in het bijzonder het geval bij windmolens die in hun geheel beschouwd kunnen worden als machine.
Uit het onderzoek van de windmolens in Vlaanderen blijkt dat de Mortiersmolen een herkenbaar en representatief voorbeeld is van een staak- of standaardmolen, in dit geval met gesloten voet. Standaardmolens zijn historisch het meest voorkomende type windmolen in Vlaanderen (2639 op 3530 gekende windmolens of circa 75%).
Anno 2023 is dit type echter heel zeldzaam geworden, mede door de materiële kwetsbaarheid ervan: slechts 87 van de circa 360 bewaarde windmolens in Vlaanderen zijn standaardmolens, minder dan 25% en deze vertegenwoordigen dus slechts 3% van het aantal gekende standaardmolens in Vlaanderen.
In de Mortiersmolen is het historisch productieproces van het malen van granen voor menselijke en dierlijke consumptie integraal en herkenbaar aanwezig, zowel wat het staande als het gaande molenwerk met inbegrip van enkele cultuurgoederen betreft. Tevens is de Mortiersmolen ook één van de weinige bewaarde driezoldermolens in West- en Oost-Vlaanderen. Dit type staakmolen ontstond door het ontdubbelen van de eerste (of onderste) zolder in een onderzolder met geringe hoogte (gebruik voor opslag van zakken graan en meel) en daarboven de meelzolder.
Daarenboven is de Mortiersmolen één van de allerlaatste windmaalvaardige windmolens in Vlaanderen waarvan het gevlucht volledig verdekkerd is. De windmolen staat dan ook voor een belangrijke fase in de ontwikkeling van windkracht naar mechanische kracht. Vanaf de late 19de eeuw ondervonden wind- en watermolens meer en meer concurrentie van stoom- en later motormaalderijen. Vooral in het interbellum werden verwoede pogingen gedaan om de windkracht te optimaliseren. Het gebrek aan brandstof dat de molenaars tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden ervaren, zorgde immers voor een hernieuwde aandacht voor windkracht. Diverse wiekenverbeteringssystemen werden uitgedokterd, onder meer door de Nederlandse molenbouwer Adriaan J. Dekker. De Mortiersmolen in Zwevegem was één van de eerste Vlaamse molens die met gestroomlijnde ‘dekkerwieken’ werden uitgerust. Ondanks deze belangrijke efficiëntieverbetering haalde de windkracht het niet van de mechanische kracht, die volledig onafhankelijk was om het even welke natuurlijke drijfkrachtvorm.
- de technische waarde:
De Mortiersmolen in Zwevegem was één van de eerste windmolens in Vlaanderen met een verdekkerd gevlucht en behield zijn volledige verdekkering tot op vandaag. ‘Verdekkeren’ was één van de vele wiekenverbeteringssystemen die in het interbellum werden uitgedokterd, in dit geval door de Nederlandse molenbouwer Adriaan J. Dekker. Hij ‘verdekkerde’ het gevlucht door de roeden te omkleden met een gestroomlijnd windprofiel waardoor de energie-efficiëntie in belangrijke mate werd opgedreven. Een andere belangrijke technische verbetering, die ook in de Mortiersmolen een toepassing vond, werd gerealiseerd met het uitrusten van het lichtwerk met een bollenregulator, die bij veranderlijke wind automatisch de gewenste afstand tussen de twee molenstenen te regelen. De cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het monument versterken de industrieel-archeologische waarde ervan.
De bescherming omvat een overgangszone.
De windmaalvaardigheid van de Mortiersmolen die bijdraagt tot de industrieel archeologische waarde wordt ondersteund door de omgeving die aan de zuidwestzijde nog heel open is. Een overgangszone wordt dus afgebakend in functie van het vrijwaren van de molenbiotoop die de industrieel-archeologische waarde ondersteunt. De molenbiotoop is de omgeving die van invloed is op het functioneren van de molen als maalwerktuig en deze omgeving wordt in de eerste plaats gekenmerkt door openheid. Bij de Mortiersmolen is met name de omgeving aan de zuidwestzijde nog relatief open maar voor de windvang is de volledige zone van 100 meter rond de molen van cruciaal belang en kan een zone van 400 meter rond de molen invloed hebben.
Het afbakenen van deze overgangszone draagt bij tot de industrieel-archeologische waarde doordat:
- de windtoevoer en -afvoer in functie van de werking van de molen als machine gegarandeerd wordt;
- ze de visuele openheid bewaart: de zichtassen op de molen en het zicht vanaf de molen. Dit is van belang om functionele redenen, met name het goed kunnen inschatten van de weeromstandigheden;
- ze de mogelijkheid tot aan- en afvoer van respectievelijk grondstoffen en producten ondersteunt wat essentieel is voor de werking als machine.
DE VLAAMSE MINISTER VAN FINANCIËN EN BEGROTING, WONEN EN ONROEREND ERFGOED BESLUIT:
Artikel 1. De volgende onroerende goederen worden definitief beschermd als monument:
Mortiersmolen, Twee Molensstraat 23 in Zwevegem, bij het kadaster bekend als: Zwevegem, eerste afdeling, sectie D, perceelnummer 375A.
De volgende onroerende goederen worden definitief beschermd als overgangszone bij het monument: Molenbiotoop van de Mortiersmolen, Twee Molensstraat 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 24, 25, 26,28, 66, 68 en zonder nummer, Rode Kruisplein 8, 9, 10, 11, Lindelaan 27, 29, 31, 33, 35, 37, Acacialaan 18, 20, 22, 24, 26, 28, 30, 32, 34, 36, 37, 38, 39,40, 41, 43, 45 en zonder nummer, Wilgenlaan 14 en zonder nummer, bij het kadaster bekend als: Zwevegem, eerste afdeling, sectie D, perceelnummers 370X6, 370W6, 369D, 369M2, 370Z6, 370Y6, 369V2, 369A3, 370R6, 369Y2, 371X, 369D3, 369C3, 371T, 371S, 373E, 378B, 371Z, 379T4, 379C4, 379B4, 395D (deel), 410F, 409B, 371H, 371G, 371F, 371W, 369W2, 369X2, 369B3, 369L2, 369K2, 369Z2, 368C4, 368M4, 368K4, 368L2, 368M2, 368G4, 368F4, 368X2, 368Y2, 367M3, 367Z2, 367E3, 367V2, 368A4, 367F3, 368E4, 367C3, 368L4, 368B4, 367H3, 367M2, 367N2 en deel uitmakend van het openbaar domein (Twee Molensstraat en Acacialaan).
De cultuurgoederen opgenomen in de bijlage 3 bij dit besluit maken integrerend deel uit van het monument. Het plan met de aflijning is opgenomen als bijlage 1 bij dit besluit. De fotoregistratie van de fysieke toestand van het monument is opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit.
Art. 2. De erfgoedwaarden van het monument zijn:
1° de historische waarde;
2° de industrieel-archeologische waarde;
3° de technische waarde.
De erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken van het monument zijn:
De Mortiersmolen is een windmaalvaardige houten standaardmolen van het driezoldertype met een gesloten voet (of teerlingkot) en voorzien van verdekkerde gelaste roeden. De windmolen bevindt zich op een met gras ingezaaide molenbelt. Rond de molen zijn 12 houten kruipalen ingeheid. Een smeedijzeren hek met gietijzeren hekpijlers geeft toegang tot de molenbelt. De gesloten voet in witgeschilderde baksteen steekt onder een tentdak van teerpapier en is toegankelijk via twee rechthoekige vleugeldeuren. De houten standaard wordt er gedragen door kruisplaten die rusten op de vier ingemetselde witgeschilderde bakstenen teerlingen en doorheen de muur van de gesloten voet steken. Steekbanden ondersteunen de standaard. De voet van de standaard is voorzien van geprofileerde versieringen. De balkkoppen van de kruisplaten die doorheen het muurpand steken, zijn met een metalen bekisting afgedekt. In het teerlingkot wordt de oude speciaal geconstrueerde halssteen bewaard die tot de restauratie van 2000-2001 de scheve molenas toeliet te draaien in zijn aslager. De vernuftige constructie bestaat uit een gietijzeren halve ring die voorzien van een bol rustte in een halve pot. Deze pot was gegoten in een plat stuk gietijzer dat op de windpulm was bevestigd. In de ring lag een schelp in brons waarop de molenas draaide. De molenkast met zijn drie zolders is vooraan ongeveer 4 meter en opzij iets meer dan 5 meter breed. De hoogte bedraagt ongeveer 9 meter. De staartzijde en de steenrechtzijde zijn voorzien van een verticale plankenbeschieting die mooi de ronding van het tentdak van de gesloten voet volgt. De beplanking is grijs geschilderd. Aan de vangzijde (de rechter zijwand) is de wandbeplanking beslagen met grijze gegalvaniseerde platen. In beide zijwanden steken telkens drie ronde kijkgaten die met houten kijkgatluikjes kunnen worden afgesloten. De windzijde is net als de gebroken molenkap gedekt met kunstleien. Een houten makelaar en een windwijzer met het wapenschild van de familie de Liedekerke, bekronen aan de staartzijde de molenkap. In de staartzijde steken twee deuren die toegang verlenen tot respectievelijk de onderzolder en de meelzolder, een luik dat uitgeeft op de onderzolder en een luik dat in relatie staat met de steenzolder. Boven dit luik bevindt zich de luikap van het buitenluiwerk in de vorm van een met leien bekleed zadeldakje. Twee rechthoekige vensters flankeren de luikap. De staart is voorzien van hangbomen met witgeschilderde ingesneden kop en een kruias met metalen tandwielen. Aan de staart hangt de houten molentrap met witgeschilderde leuning op. Twee houten loopschoren aan weerszijden van het uiteinde van de staart houden de windmolen op zijn plaats. Rechts van de trap is ter hoogte van de deur naar de onderzolder een lager zijbalkon voorzien. Het balkon bovenaan de trap bevindt zich op het niveau van de meelzolder. De gelaste roeden zijn volledig verdekkerd en hebben een overmeten lengte van 24,60 meter. Op 12,50 meter boven het maaiveld steken ze door een gietijzeren askop. Stormkabels aan de roeden zorgen voor de omwille van verdekkering vereiste stormbeveiliging. Van de drie zolders van de Mortiersmolen is de onderzolder ontstaan door een ontdubbeling van de meelzolder (of onderste zolder), wat zijn geringe hoogte verklaart. Deze als bergruimte opgevatte zolder rust op de vier berriebalken die net boven de zetel twee aan twee kruiselings over elkaar om de standaard heen zijn gelegd. De zolder is enkel via het zijbalkon rechts van de molentrap toegankelijk. De span- of binnentrekijzers aan de zijwanden werden aangebracht om de spanning van de verkeerd geplaatste weegbanden te ondervangen. Op de bovenliggende meelzolder worden het opgezakte graan en meel bewaard. Centraal is de zolder ingevuld met een houten meelgoot die in relatie staat met de twee maalstoelen op de steenzolder. Bij de meelgoot hoort een metalen meelschep met houten steel. In de rechterhoek naast de toegangsdeur hangt aan de zoldering de (buiten gebruik gestelde) haverpletter waarvan het kamwiel door het voorwiel op de steenzolder werd aangedreven. Onder de haverpletter bevindt zich verzonken in de houten zoldervloer een brugbalans. In dezelfde plankenvloer steekt een luiluik langs waar de zakken graan en meel tussen de niveaus worden verhandeld. Tegen de zoldering bevinden zich twee bollenregulators, die zijn geplaatst op het respectieve lichtwerk van de steenkoppels om bij veranderlijke wind automatisch de gewenste afstand tussen de twee molenstenen te regelen. De standaard draagt de inscriptie ‘Dumortier Omer 1893’ en ‘Vromans’. Op de steenbalk zijn de inscripties ‘1789’, ‘DECO[…]CK […] 1887’ en ‘1826 C V D MAELE’ terug te vinden. Opnieuw zorgen spanijzers voor een versteviging van de molenkast. Een eikenhouten steektrap leidt naar de steenzolder. De steenzolder (of bovenste zolder) wordt ingenomen door de twee maalstoelen. Deze bestaan telkens uit een koppel molenstenen met als toebehoren in het bijzonder een steenkist, kuipdeksel, tremen, een schudbak en een graanbak. Op de zoldervloer bevindt zich bij beide steenkuipen telkens een lichtwerk dat de afstand tussen de molenstenen regelt en in relatie staat met de respectieve bollenregulator op de meelzolder. Tegen de vangzijde bevindt zich de vang, in hoofdzaak bestaande uit een metalen vangplank, metalen sabelijzer, ijzeren vangbalk, houten vangezel, houten vanghaak, houten vangtrommel met vangtouw en een houten keervang. Boven deze uitrusting bevindt zich de molenas met de gietijzeren askop. Op de molenas steken twee grote aswielen. Het grootste wiel, het vangwiel, telt 56 kammen en drijft een bonkelaar (of klein kamwiel) van 16 kammen aan. Het kleinere aswiel, het voorwiel, heeft 44 kammen en haakt in in een schijfloop van 14 kammen. Zowel de bonkelaar als de schijfloop bevinden zich bovenaan het staakijzer dat de bovenste molensteen (of loper) aandrijft. Door het voorwiel wordt ook het kamwiel van de haverpletter aangedreven. Aan het vangwiel zijn als specifieke stormbeveiliging stormkabels gelegd. In de plankenvloer steekt eveneens een luiluik. Onder de molenkap bevindt zich het luiwerk met zijn luisas, luiwiel, klauwwiel, wip en lui- en klauwrepen.
Art. 3.1. De beheersdoelstellingen voor het monument zijn:
1° het behoud van de erfgoed-kenmerken en -elementen die de basis vormen voor de erfgoedwaarden. Dit veronderstelt vakkundig onderhoud en indien nodig conserverende ingrepen. Bewaren gaat steeds voor op vernieuwen. Nieuwe ingrepen en wijzigingen in het gebruik van de molen vereisen een geïntegreerde aanpak waarbij de impact op het geheel wordt afgewogen en waarbij de draagkracht van de molen niet wordt overschreden;
2° het behoud als windmaalvaardige molen met betrekking tot zowel het interieur, het exterieur als het perceel;
3° Het behoud van de cultuurgoederen op hun huidige plaats in het monument.
Art. 3.2. De beheersdoelstellingen voor de overgangszone zijn:
1° Het blijvend verzekeren van de huidige windtoevoer en -afvoer. Verder is het wenselijk om ingrepen die de windtoevoer en -afvoer verbeteren in functie van de werking van de molen als machine;
2° het vrijwaren van een visuele openheid: het zicht vanaf de molen (om functionele redenen, met name het goed kunnen inschatten van de weeromstandigheden) en het zicht op de molen. Verder is het wenselijk om ingrepen te ondersteunen die de visuele openheid versterken;
3° het vrijwaren van de mogelijkheid tot aan- en afvoer van respectievelijk grondstoffen en producten, wat ook essentieel is voor de werking als machine, bijvoorbeeld door het behoud en onderhoud van een molenbaantje dat ook dienst kan doen voor onderhouds- en restauratiewerken.
Art. 4.1. De zakelijkrechthouder en de gebruiker houden het monument in stand en onderhouden het door:
1° het monument als een goede huisvader te beheren en de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen tegen schade door brand, blikseminslag, diefstal, vandalisme, wind of water;
2° de toestand van het monument regelmatig te controleren;
3° regulier onderhoud uit te oefenen;
4° onmiddellijk passende consolidatie- en beveiligingsmaatregelen te nemen in geval van nood;
5° de nodige maatregelen nemen om de werking als werktuig te verzekeren;
6° de windvang voor windmolens te vrijwaren;
7° het werkend industrieel erfgoed regelmatig in werking stellen volgens de regels van de kunst. Met de werking wordt bedoeld het functioneren van het totale productieproces waar dat mogelijk is.
Art. 4.2. De zakelijkrechthouder en de gebruiker houden de overgangszone in stand en onderhouden ze door:
1° de huidige windvang voor de windmolen te vrijwaren door:
a) in een straal van 100 meter rond de molen de hoogte van hindernissen (bebouwing, grondwerken en beplanting) zoveel mogelijk te beperken tot onder de onderzijde van de wieken in verticale stand, zeker aan de kant van de overheersende windaanvoer (zuidwest) en windafvoer (noordoost);
b) buiten een straal van 100 meter rond de molen de hoogte van hindernissen zoveel mogelijk te beperken tot 1 meter hoger dan de onderzijde van de wieken per 100 meter, gerekend vanaf de molen.
Voor deze zone kan ook de formule van Beljaars gehanteerd worden. Deze is gebaseerd op de ruwheid van het terrein, de afstand tot de molen, de gewenste maximale windreductie, de askophoogte van de molen en het landschapsreliëf. De toelaatbare hoogte van de hindernis wordt dan berekend volgens de formule (x/n) + c*z + TAW .
- n = coëfficiënt voor ruwheid terrein (140 bij open, 75 bij ruw en 50 bij gesloten).
Voor de Mortiersmolen is dit ruw (75);
- x = afstand van de hindernis tot de molen in m;
- c = coëfficiënt windreductie. Deze mag zeker niet meer zijn dan 10 % (factor 0,3);
- z = askophoogte in meter (helft gevlucht + hoogte belt, berg of stelling)
- TAW (hoogtepeil ten aanzien van het maaiveld van de molen)
Voor de Mortiersmolen (die een askophoogte heeft van 13,5 meter) betekent dit dat de maximale hoogte van een hindernis op 100 meter van de molen 5,38 meter ((100/75) + 0,3*13,5) is en op 200 meter 6,71 meter ((200/75) + 0,3*13,5), telkens op voorwaarde dat het hoogtepeil van het maaiveld identiek is aan dat van de molen;
c) enkel af te wijken van de onder a en b opgesomde richtlijnen indien de hindernissen geen bijkomende windhinder veroorzaken.
- Dit is het geval voor een hindernis die zich bevindt achter een bestaande hindernis, gerekend vanaf de molen. Maar er wordt ook rekening gehouden met de windhinder die al bestaat door een verder afgelegen hindernis. Dergelijke afwijkingen op basis van bestaande hindernissen zijn enkel mogelijk indien de nieuwe hindernis gelijkaardig is aan de bestaande. Gelijkaardig verwijst in deze naar het onderscheid tussen beplanting, bebouwing en grondwerken.
- Voor bebouwing kan verder in beperkte mate afgeweken worden van de onder a en b opgesomde richtlijnen. Hierbij wordt rekening gehouden met de breedte van de nieuwe hindernis (idealiter niet groter dan de lengte van het gevlucht), de oriëntatie van het dak (idealiter volgt de nok zoveel mogelijk de straal van de cirkel rond de molen), de dakhelling (idealiter zo steil mogelijk), het dakvolume (idealiter zo eenvoudig mogelijk, zonder dakkapellen) en het bouwvolume (idealiter met afgeronde hoeken en (half)open wanden, dit laatste bijvoorbeeld bij autobergplaatsen); d) bij beplanting rekening te houden met de te verwachten groei. Om die reden wordt het aanplanten van zowel hoogstammen als bomenrijen vermeden. Het knotten of snoeien van bomen wordt aanbevolen, evenals het vervangen van zieke of gekapte windhinderende beplanting door een meer gepaste, lagere beplanting;
2° de zichten op de molen vanaf het openbare domein zoveel mogelijk te behouden;
3° wegen te behouden en onderhouden.
Art. 5.1. Een toelating is vereist voor de volgende handelingen aan of in het monument:
1° het plaatsen, slopen, verbouwen of heropbouwen van een constructie;
2° het verwijderen, vervangen, wijzigen of verstevigen van constructieve elementen;
3° het verwijderen, vervangen of wijzigen van historische materialen en het toepassen van behandelingen met als doel de historische materialen te reinigen, te herstellen, te verduurzamen of te beschermen tegen verweer en aantasting;
4° het uitvoeren van de volgende werken aan de gesloten voet:
a) het verwijderen van voegen en het hervoegen;
b) het verwijderen, vervangen of wijzigingen van het dakvolume, de dakconstructie en de dakbedekking;
c) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van de kleur, textuur of samenstelling van de afwerkingslagen;
d) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van buitenschrijnwerken, inclusief poorten, beslag, hang- en sluitwerk;
e) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van aard- en nagelvaste elementen, houtwerk en smeedijzer, inclusief nieuwe toevoegingen;
f) het aanbrengen, vervangen of wijzigen van opschriften, publiciteitsinrichtingen of uithangborden, met uitzondering van verkiezingspubliciteit en met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, waarbij wordt bekendgemaakt dat het goed te koop of te huur is, op voorwaarde dat de totale maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 4 m².
5° het uitvoeren van de volgende werken aan de molenkast, de molenkap met balkons, molenstaart, het kruiwerk, de molentrap en het gevlucht:
a) het verwijderen, vervangen of wijzigen van de molenkast (constructie, volume, materialen en afwerking);
b) het verwijderen, vervangen of wijzigingen van de molenkap (constructie, volume, materialen en afwerking) en de dakbedekking;
c) het verwijderen, vervangen of wijzigen van de molenstaart;
d) het verwijderen, vervangen of wijzigen van het kruiwerk;
e) het verwijderen, vervangen of wijzigen van de molentrap met balkons;
f) het verwijderen, vervangen of wijzigen van het gevlucht;
g) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van de kleur, textuur of samenstelling van de afwerkingslagen;
h) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van buitenschrijnwerken, inclusief deuren, luiken, ramen, beslag en hang- en sluitwerk;
i) het aanbrengen, vervangen of wijzigen van opschriften, publiciteitsinrichtingen of uithangborden, met uitzondering van verkiezingspubliciteit en met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, waarbij wordt bekendgemaakt dat het goed te koop of te huur is, op voorwaarde dat de totale maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 4 m².
6° het uitvoeren van de volgende omgevingswerken:
a) het verwijderen, vervangen of wijzigen van het hek met de twee hekpijlers;
b) het verwijderen, vervangen of wijzigen van de kruipalen;
c) het plaatsen of wijzigen van boven- en ondergrondse nutsvoorzieningen en leidingen; d) het aanleggen, structureel en fundamenteel wijzigen of verwijderen van wegen en paden;
e) het vellen of beschadigen van bomen of struiken en elke handeling die een wijziging van de groeiplaats en groeivorm tot gevolg kan hebben;
f) het aanplanten van bomen of heesters;
g) alle werken of activiteiten die het microreliëf en de vegetatie kunnen wijzigen of beschadigen;
h) het aanbrengen of wijzigen van afsluitingen.
7° het uitvoeren van de volgende handelingen aan of in het interieur van de gesloten voet en de molenkast en -kap en aan de cultuurgoederen:
a) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van interieurelementen (molenuitrusting);
b) het uitvoeren van destructief materiaaltechnisch onderzoek;
c) het uitvoeren van structurele werken en het toevoegen van nieuwe structuren;
d) het uitvoeren van werken die het uitzicht of de indeling van het interieur wijzigen;
e) het verwijderen, vervangen of wijzigen van historische materialen en het toepassen van behandelingen met als doel de historische materialen te reinigen, te herstellen, te verduurzamen of te beschermen tegen verweer en aantasting;
f) het verwijderen, vervangen of wijzigen van vloeren, trappen, wand- en zolderafwerking, binnenschrijnwerken, inclusief het beslag en hang- en sluitwerk, en van de waardevolle interieurdecoratie;
g) het bepleisteren van niet-bepleisterde elementen of het bepleisteren met een andere samenstelling of textuur, alsook het ontpleisteren van bepleisterde elementen;
h) het beschilderen van ongeschilderde elementen of het schilderen in andere kleuren of kleurschakeringen of met een andere verfsoort dan de aanwezige.
8° het uitvoeren van volgende handelingen aan de beschermde en nog in gebruik zijnde machines:
a) het wijzigen, vervangen of herstellen van het beschermde goed of onderdeel ervan met niet-originele materialen en constructietechnieken;
b) het volledig of gedeeltelijk uiteen nemen, verplaatsen of wijzigen van de technische kenmerken.
Art. 5.2. Een toelating is vereist voor de volgende handelingen aan of in de overgangszone:
1° het plaatsen, slopen, verbouwen of heropbouwen van een constructie voor zover deze werken invloed hebben op de windtoevoer en -afvoer van de molen, het zicht vanaf en naar de molen, en op de mogelijkheid tot aan- en afvoer van respectievelijk grondstoffen en producten.
2° het uitvoeren van de volgende omgevingswerken voor zover deze werken invloed hebben op de windtoevoer en -afvoer van de molen, het zicht vanaf en naar de molen, en de mogelijkheid tot aan- en afvoer van respectievelijk grondstoffen en producten:
a) het plaatsen of wijzigen van boven- en ondergrondse nutsvoorzieningen en leidingen;
b) het aanleggen, structureel en fundamenteel wijzigen of verwijderen van wegen en paden;
c) het verwijderen of wijzigen van parkconstructies;
d) het aanleggen of wijzigen van verhardingen;
e) het vellen of beschadigen van bomen of struiken en elke handeling die een wijziging van de groeiplaats en groeivorm tot gevolg kan hebben;
f) het aanplanten van bomen of heesters;
g) alle werken of activiteiten die het microreliëf en de vegetatie kunnen wijzigen of beschadigen;
h) het aanbrengen of wijzigen van afsluitingen.
Er is geen toelating vereist voor:
1° regulier onderhoud;
2° passende consolidatie- en beveiligingsmaatregelen in geval van nood.
Brussel,
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed
Matthias DIEPENDAELE
Aantal asomwentelingen
1992: 0
2008: 0
2009: 0
2010: 0
2011: 0
Torie Mulders (pseudoniem van Hector Vindevogel), "De windmolens tussen Schelde en Leie", in: Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, XXII, 1946-1948, p. 46-107 (92)(uitgegeven handschrift uit 1931).
De schoonste en best onderhouden molen van de gansche streek is zeker wel Mortiers Meulen!
Ze is gebruikt door de Kinders Dumortier die er prus op zijn.
Van den anderen kant, gezien de eigenaar geen geld ontziet om zijn staande werk te onderhouden - het tegenovergestelde is doorgaans de oorzaak van 't verdwijnen der windmolens -, moet ze noodzakelijk wel onderhouden zijn, en zal ze waarschijnlijk nog lange staan: als 't God belieft.
Jammer dat ze niet beter bloot en in d'ooge staat.
Lieven Denewet & Herman Vanhoutte, "Molendeskundige dr. Stefaan Vroman (1941-2011). Groot ijveraar voor betere molenrestauraties", Molenecho's, LXXX, 2011, nr. 3.
Op 10 oktober 2011 overleed, na een lange ziekte, dokter Stefaan Vroman bij hem thuis te Elingen. Hij was geboren te Zwevegem op 18 mei 1941 en was gehuwd met Godelieve Dhaenens. Ze kregen drie kinderen: Frederik, Christophe en Silvie. Vele molenvrienden woonden de uitvaartdienst in de Sint-Amanduskerk te Elingen op 15 oktober bij.
Zijn beroep als gynaecoloog en zijn passie voor windmolens waren twee zaken die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Toch kenmerkten ze Stefaan. Hij was iemand met een groot praktisch inzicht en creativiteit, maar ook met een grote zin voor - soms cynische - humor.
Als jonge knaap ging hij graag bij Omer Dumortier (1882-1958), de laatste beroepsmolenaar van de Mortiersmolen te Zwevegem. Stefaan leerde van hem de knepen van het vak. In de laatste maanden van Omers leven draaaide Stefaan alleen met de molen, omdat de oude mulder niet meer zelf naar boven kon. Vanuit zijn zetel hield Omer de molen echter in het oog, en wanneer hij wat te rap (of te traag) draaide sloeg hij met de ijzeren punt van zijn stok op het vensterglas, een geklop dat tot in de molen te horen was. Na Omers dood zorgde Stefaan verder voor de molen.
Door zijn molenpassie leerde hij bijna 50 jaar geleden zijn vrouw Godelieve Dhaenens kennen. Zij was de dochter van Jozef Dhaenens, molenaar op de Moulin de la Marquise te Moulbaix maar eveneens afkomstig van Zwevegem. Haar broer Joseph Dhaenens is er nu nog molenaar.
Dr. Vroman was in 1976 één van de stichtende leden van onze vereniging De Belgische Molen vzw, voorloper van Molenzorg Vlaanderen vzw. Hij werd er ondervoorzitter. Dr. Vroman toonde een grote bekommernis voor onze molens, in het bijzonder voor hun restauraties. Dit manifesteerde zich duidelijk in de jaren 1980, toen tijdens de economische recessie een algemene bouwonderneming zich op molenrestauraties stortte. Voor de eerste keer werden staakmolenkasten als reuzenmeubels naar een atelier gevoerd. Ze werden terug gemonteerd, maar konden niet effectief malen, alhoewel ze als dusdanig waren opgeleverd. Voorbeelden waren de Kalfmolen te Knokke en de Stokerijmolen te Kuurne. Ook “gerestaureerde” stenen windmolens, zoals de Vannestes molen te Marke, de Fauconniersmolen te Oordegem, de Briekenmolen te Wervik en de Vanbutselesmolen te Wevelgem, hadden veel “nazorg” nodig.
Met een strijdvaardige pen klaagde dr. Vroman in ons tijdschrift Molenecho’s dat geknoei aan, als een kruistocht tegen ondeskundige aannemers. Deze artikels leidden tot boeiende discussies in de molenwereld, maar ook tot een officiële bijstelling van de regelgeving voor molenrestauraties.
Vanaf de jaren 1990 deed Stefaan het wat kalmer aan en hield zich opnieuw meer met de Mortiersmolen te Zwevegem bezig. In 1994 kwam deze driezolder-staakmolen met verdekkerde roeden in het bezit van de Stichting Bekaert-de Liedekerke-Vroman. Dr. Vroman stond zelf in voor het permanent onderhoud en was de drijvende kracht achter de restauraties van 1994 en 2000-‘01. Hij liet deze molen regelmatig draaien tot in 2007. In de laatste jaren ging zijn gezondheid achteruit. Dit voorjaar was hij nog aanwezig op de algemene vergadering van Molenzorg Vlaanderen te Kortrijk, maar was duidelijk door zijn ziekte getekend.
Zowel in de wereld van de verloskunde en gynaecologie als in de Vlaamse molenwereld heeft Stefaan Vroman zijn sporen nagelaten. We wensen zijn familie veel sterkte toe en houden zijn grote verdiensten in ere.
"Mortiers Molen opnieuw in werking (2012)" door Freddy Deweer
Mortiers Molen is genoemd naar het laatste geslacht dat beroepshalve de molen bemaalde tijdens de periode van 1888 tot 1958. Omer Dumortier (° 11 januari 1882 – 22 oktober 1958) hielp vanaf 1893 met zijn vader Joseph de molen bemalen. Op het einde van zijn leven kon Omer de trap van de molen niet meer op en werd hij bijgestaan door wijlen Stefaan Vroman, toen nog student, die onder de kundige leiding van Omer de molen liet draaien.
Vanaf 13 juni 1911 werd de molen eigendom van Leo Leander Bekaert, stichter van het wereldconcern Bekaert, om bij zijn dood in 1936 over te gaan naar de drie dochters van zijn overleden zoon Maurice Bekaert. In 1974 werd de molen eigendom van de tak de Liedekerke – Bekaert (graaf en gravin Charles-Antoine de Liedekerke – Nicole Bekaert).
Stefaan Vroman, bezieler van de restauratie in 1994 en vanaf toen molenaar op Mortiers Molen, overleed op 10 oktober 2011 na enkele jaren ziekte. In de voorafgaande periode werd hij bijgestaan door zijn zoon Frederic, eveneens gediplomeerd molenaar, die geestdriftig het werk van zijn vader wil voortzetten.
Op 17 augustus 1994 werd de vzw Mortiers Molen, Stichting Bekaert – de Liedekerke – Vroman, opgericht onder het voorzitterschap van graaf Charles-Antoine de Liedekerke. Tijdens de ziekte en na de dood van Stefaan stond de molen geruime tijd stil en het spreekwoord zegt het: “rust roest“. Dat was ook het geval met Mortiers Molen. Stilstand betekend verval. Toezicht en onderhoud komen niet meer aan bod, houtborende insecten versnellen het verval en de molen komt er troosteloos bij te staan.
Molinoloog en gediplomeerd meester molenaar Freddy Deweer, tevens vriend van de familie Vroman, besliste na de dood van Stefaan zijn taak over te nemen. Op 28 maart 2012 werd tijdens de algemene vergadering van de vzw Mortiers Molen beslist om Frederic Vroman en Freddy Deweer aan te stellen als molenaars van Mortiers Molen. Het voorzitterschap, waargenomen door graaf Charles-Antoine de Liedekerke, werd overgedragen aan de weduwe van dokter Vroman, Godelieve Dhaenens.
Ter gelegenheid van het vijfde wijkfeest van de Lindewijk, tevens molenfeest, werd de molen op 2 juni 2012 weer in werking gesteld en konden beide molenaars een 70-tal bezoekers verwelkomen. Het is trouwens de bedoeling om de molen voortaan geregeld te laten draaien, om verval en verwaarlozing te voorkomen. Er werden inmiddels enkele onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd en initiatieven genomen om de molen opnieuw veilig te laten functioneren. Onder het motto “de molen draait niet met de wind die voorbij is“ zijn er goede voornemens voor de toekomst. “Cedici sed surgam“
In memoriam
De heer Charles-Antoine, Elie, Marie, Gaston Graaf de Liedekerke
Geboren te Leefdaal op 20.10.1923.
Overleden te Leefdaal op 05.06.2013.
+
"Als u wist wat God wil geven" Jan 4, 10
Gravin Charles-Antoine de Liedekerke
Graaf en Gravin Charles-Amédée de Liedekerke
Graaf Geoffroy de Liedekerke
Graaf en Gravin Henri de Liedekerke
Graaf en Gravin Hugues de Lannoy
Graaf Rodolphe de Liedekerke
Graaf en Gravin Charles-Antoine de Liedekerke
De Heer en Mevrouw Barthélemy de Callataÿ
De Heer en Mevrouw Pierre-Edouard Fraigneau en hun zoon
De Heer en Mevrouw Brieuc Verhaegen en hun kinderen
Graaf Pierre de Liedekerke
Gravin Alice de Liedekerke
Graaf Baudouin de Lannoy
Gravin Blanche de Lannoy
Gravin Madeleine de Lannoy
Graaf de Liedekerke, zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen
De kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van wijlen Graaf en Gravin Philippe de Limburg Stirum
De kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van wijlen Graaf en Gravin Emmanuel de Montalembert
Burggravin Alain de Becdelièvre, haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen
Graaf en Gravin Jacques de Liedekerke, hun kinderen en kleinkinderen
Gravin de T'Serclaes, haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen
De kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van wijlen De Heer en Mevrouw André Pirmez
De familiale Vereniging Liedekerke
delen u met diepe droefheid het overlijden mede van echtgenoot, vader, schoonvader, grootvader, achtergrootvader, broer, schoonbroer en onkel
Charles-Antoine, Elie, Marie, Gaston Graaf de Liedekerke
echtgenoot van Nicole BEKAERT
Doctor in de rechtsgeleerdheid UCL
Ere-bestuurder van NV BEKAERT SA
Voormalig gemeenteraadslid Bertem
Ere-voorzitter van de Leefdaalse oud strijders
Ere-voorzitter van de Veteranen van Leopold III
Vrijwilliger 1940-1945
Officier in de Orde van Leopold
Medaille van de weerstand
Werk Medaille eerste klasse
Militaire Decoratie tweede klasse
Geboren te Leefdaal op 20 oktober 1923 en aldaar overleden
op 5 juni 2013 gesterkt door de heilige Sacramenten
De begrafenisplechtigheid, gevolgd door de bijzetting in de familiegrafkelder, zal plaatshebben in de Sint-Lambertuskerk te Leefdaal, op zaterdag 8 juni 2013 om 11 uur 30
De familie zal de begroetingen en de rouwbeklag vanaf 11 uur ontvangen
Noch bloemen noch kransen
Literatuur
Archieven en landkaarten
Villaretkaart (1745-1748) (niet aangeduid)
Ferrariskaart (ca. 1775)
Landboek van Zwevegem (1790 (niet aangeduid)
Atlas der Buurtwegen (ca. 1844)
Topografische kaart van Ph. Vandermaelen (ca. 1850)
Kadastrale kaart van P.C. Popp (ca. 1860)
Werken
Chr. Devyt, "Westvlaamse windmolens. Inventaris volgens de toestand op 1 januari 1965", Brugge, 1966, p. 122;
Lieven Denewet, "Electriciteitsopwekking met traditionele windmolens in Vlaanderen", Land in zicht, LXXVIII, 2009, 3, p. 10-13.
Lieven Denewet & Herman Vanhoutte, "Molendeskundige dr. Stefaan Vroman (1941-2011). Groot ijveraar voor betere molenrestauraties", Molenecho's, LXXX, 2011, nr. 4.
Luc Devliegher, "De molens in West-Vlaanderen", Tielt/Weesp, 1984, p. 430-431(Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, 9);
Herman Holemans, "West-Vlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 8. Gemeenten V-Z , Opwijk, Studiekring Ons Molenheem, 2005.
Jeroen Cornilly, "Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel 1. Arrondissementen Ieper, Kortrijk, Roeselare, Tielt", Brugge, 2001, p. 242:
Jaak Bataille, Hubert Demeulenaere, Stefaan Vroman & Jan Deloof, "Onze molens nu en toen. Heestert, Moen, Otegem, Sint-Denijs en Zwevegem", Zwevegem, 1994, p. 13-22;
Lieven Denewet, "Vijf goedgekeurde West-Vlaamse molenprojecten in 1999", in: Mededelingenblad Werkgroep West-Vlaamse Molens, XV, 1999, p. 68-75;
Stefaan Vroman, "Mortiers molen te Zwevegem is weer maalvaardig", in: Molenecho's, XXIII, 1995, p. 15-19;
Molenzorg vzw, "De Mortiersmolen van Zwevegem op nieuwe voet", Molenecho's, XXIX, 2001, nr. 2, p. 63-65;
Lieven Denewet, "Vier inhuldigingen in het weekend van 8 op 9 september 2001", in: Molenecho's, XXIX, 2001, nr. 4, p. 196;
S. Vroman, "Zwevegem. Mortiersmolen", in: Molenecho's, VI, 1978, p. 90;
Torie Mulders (pseudoniem van Hector Vindevogel), "De windmolens tussen Schelde en Leie", in: Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, XXII, 1946-1948, p. 46-107 (92)(uitgegeven handschrift uit 1931).
V. Ovaere, "Sprokkelingen uit Zwevegem's verleden", I-II, Zwevegem, 1968;
S. Vanhuysse, "Oud Sweveghem", Zwevegem, 1976;
R. Witdouck, "Onze Zwevegemse molens vroeger en nu" in: Biekorf, 95, 1995, nr. 3, p. 268-276.
J. De Schepper, "De mooie molen bedreigd. Molenzorg", in: Open Deur, Brussel, Ministerie van de Vlaamse gemeenschap. Culturele diensten, 10, 1978, p. 101-107, ill.
Lieven Denewet & Herman Vanhoutte, "Molendeskundige dr. Stefaan Vroman (1941-2011). Grote ijveraar voor betere molenrestauraties", Molenecho's, XXXIX, 2011, nr. 3.
Jacques Lorthiois, "Flandre Occidentale. Meuniers et moulins de West-Flandre", L'Intermédiaire des Généalogistes, n° 170, XXIX, 1974, 2, p. 116-126 (126).
Persberichten
GJZ, "Cubaanse sfeer tijdens zevende wijkfeest op de Lindewijk", Het Wekelijks Nieuws, 28.06.2013.
JME, "Vanavond opening Circa Zomerbar", Het Laatste Nieuws, 25.05.2018.
Geert Vanhessche, "Luxueus bouwproject Mortiersmolen in Zwevegem komt er niet", Het Wekelijks Nieuws, ed. Kortrijk, 13 juni 2019.
Christophe Lefebvre, " 'Brand' bij Molen was kortsluiting", Krant van West-Vlaanderen, 16.01.2021.
Mailbericht
Ronald Troost, 08.12.2016, 15.01.2018.
